KOKKELKOREN
„Naam die geurt naar koren en oude korenmolens”
Mijn achternaam betekent zoiets als 'onkruid tussen het koren' – een ware boerennaam!
De betekenis van de achternaam KOKKELKOREN
Kokkelkoren lijkt een samenstelling van 'kokkel' (een klein onkruidzaadje dat vroeger vaak tussen graan groeide, ook wel bolderik genoemd) en 'koren' (graan). Waarschijnlijk verwijst de naam naar iemand die woonde bij een akker of molen waar dit onkruid tussen het graan opviel, of naar een bijnaam voor een boer of korenhandelaar.
Het familiewapen van KOKKELKOREN
„Tussen onkruid en oogst, trouw”
Doorsneden van sinopel en goud; in het schildhoofd drie bloemen van bolderik van purper, gesteeld en gebladerd van sinopel; in de schildvoet een garve van goud, gebonden met een band van sinopel.
De naam Kokkelkoren is ontstaan uit twee woorden die samen een vertrouwd akkerbeeld schetsen: "kokkel", de oude Nederlandse benaming voor bolderik, een sierlijke maar hardnekkige plant die vroeger overal tussen het koren opschoot, en "koren", het graan zelf waarvan het land moest leven. Vermoedelijk kreeg een familie deze naam omdat haar akkers bekendstonden om deze specifieke combinatie van gewas en onkruid, of omdat zij woonde bij een veld waar de paarse bloemen van de bolderik jaar na jaar tussen de gouden halmen verschenen. Zo werd een landbouwkundig detail, iets wat elke boer in de streek kende en herkende, de naam die deze familie sindsdien draagt en doorgeeft.

De geschiedenis van de naam KOKKELKOREN
De achternaam Kokkelkoren is een zeldzame Nederlandse familienaam waarvan de exacte etymologische oorsprong niet volledig gedocumenteerd is, maar die vermoedelijk is samengesteld uit twee elementen die wijzen op een agrarische achtergrond. Het eerste deel, "kokkel", zou kunnen verwijzen naar het gewas bolderik (Agrostemma githago), een plant die in het Nederlands ook wel "kokkel" werd genoemd en die vroeger veelvuldig voorkwam als onkruid tussen granen. Het tweede deel, "koren", verwijst duidelijk naar graan of graangewassen. De naam zou dus oorspronkelijk kunnen zijn ontstaan als een toponymische of beroepsgerelateerde aanduiding voor iemand die woonde bij een veld waar bolderik tussen het koren groeide, of voor een boer wiens akkers bekend stonden om deze specifieke onkruidsoort. Dergelijke samengestelde namen waren in de Nederlandse en Vlaamse taalgebieden niet ongebruikelijk, waarbij landschappelijke of landbouwkundige kenmerken de basis vormden voor familienamen.
Geografisch gezien wordt de naam Kokkelkoren voornamelijk aangetroffen in Nederland, met mogelijke concentraties in agrarische regio's waar graanverbouw van oudsher een belangrijke rol speelde. De zeldzaamheid van de naam suggereert dat deze mogelijk is ontstaan binnen een beperkt aantal families of een specifieke lokale gemeenschap, wat kenmerkend is voor veel Nederlandse achternamen die pas na de invoering van de Napoleontische naamgevingswetten in 1811 definitief werden vastgelegd. Voor die tijd gebruikten mensen vaak patroniemen of bijnamen die per generatie konden veranderen. Het is opmerkelijk dat samengestelde plantnamen zoals deze relatief zeldzaam zijn onder Nederlandse achternamen, wat Kokkelkoren tot een linguïstisch interessant voorbeeld maakt van hoe lokale flora en landbouwpraktijken hun weerslag konden vinden in familienomenclatuur. Door de zeldzaamheid van de naam is uitgebreid historisch onderzoek naar specifieke families die deze naam droegen beperkt beschikbaar in gepubliceerde genealogische bronnen.