FAAS
„Faas is een korte roepnaam-achtige verbastering van Servaas”
Mijn achternaam Faas is eigenlijk een ingekorte vorm van Servaas, naar een heilige bisschop uit de vierde eeuw!
De betekenis van de achternaam FAAS
Faas is een Nederlandse achternaam die is ontstaan als verkorte roepvorm van de voornaam Servaas (Latijn: Servatius). Het werd overgenomen als familienaam toen achternamen in de late middeleeuwen vaste vorm kregen.
Het familiewapen van FAAS
„Goed doen, altijd”
In keel een zilveren keper vergezeld van twee zilveren harten in het schildhoofd en een gouden gekruiste klaverkruis (kruis bottony) in de voet.
De naam Faas is een patroniem, ontstaan uit de verkorte vorm Faes van de voornaam Bonifacius — een Latijnse naam die "weldoener" of "die goed doet" betekent, samengesteld uit bonum (goed) en facere (doen). In de middeleeuwen was deze naam wijdverbreid dankzij de heilige Bonifatius, de missionaris die het christendom in delen van Europa verspreidde, en generaties kinderen werden aangeduid als "zoon van Faas". Vanaf de late middeleeuwen tot de invoering van de Burgerlijke Stand onder Napoleon werd deze patroniemvorm in Zuid-Holland, Noord-Brabant, Zeeland en Vlaanderen vastgelegd als vaste achternaam, met spellingsvarianten als Faes, Fase en Faassen als stille getuigen van eeuwenlange mondelinge overlevering.
Het schild is keel (rood), de kleur van daadkracht en toewijding, en draagt een zilveren keper — het dak dat bescherming biedt, hier een symbool van de standvastige structuur die een familie door de eeuwen heen draagt. De twee zilveren harten in het schildhoofd verwijzen rechtstreeks naar de betekenis van Bonifacius: het goede doen, oprechtheid en welwillendheid als kernwaarden die van vader op zoon werden doorgegeven. Het gouden klaverkruis (kruis bottony) in de voet eert de heilige Bonifatius zelf en zijn missie, terwijl goud de duurzaamheid en waarde van dat erfgoed uitdrukt. Op de helm herhaalt zich dit verhaal in klein: een zilveren hart doorboord door een gouden klaverkruis, een persoonlijk zegel van de familienaam. De wapenspreuk "Goed doen, altijd" vat de kern van de naam Faas samen: een familie die, generatie na generatie, de betekenis van haar eigen naam probeert waar te maken.
De geschiedenis van de naam FAAS
De achternaam Faas is een patroniem dat is afgeleid van de voornaam Bonifacius, via de verkorte vorm Boonfaes of Faes. Deze naam vindt zijn oorsprong in het Latijnse "Bonifacius", wat "weldoener" of "die goed doet" betekent, samengesteld uit "bonum" (goed) en "facere" (doen of maken). In de middeleeuwen was Bonifacius een populaire naam, mede dankzij de heilige Bonifatius, de bekende missionaris die het christendom in delen van Europa verspreidde. In de Nederlandse en Vlaamse taalgebieden werd deze voornaam in de loop der eeuwen ingekort en verbasterd tot varianten als Faes, Faas, Faas en Faassen, waarbij de achternaam ontstond doordat kinderen werden aangeduid als "zoon van Faas".
Geografisch gezien is de naam Faas voornamelijk terug te vinden in Nederland, met name in de provincies Zuid-Holland, Noord-Brabant en Zeeland, waar de naam vanaf de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd in doop-, trouw- en begraafregisters opduikt. De naam kwam ook voor in Vlaanderen, wat wijst op een gedeelde Nederfrankische en Vlaamse taalachtergrond. Historisch gezien werden achternamen in deze regio's pas verplicht vastgelegd na de invoering van de Burgerlijke Stand onder Napoleon aan het begin van de negentiende eeuw, waardoor veel families die eerder de patroniemvorm gebruikten, deze als vaste achternaam behielden. Een opmerkelijk kenmerk van de naam Faas is de diversiteit aan spellingsvarianten die door de eeuwen heen zijn ontstaan, zoals Faas, Faes, Fase en Faassen, wat typisch is voor namen die zijn ontstaan uit mondelinge overlevering en regionale dialectverschillen binnen het Nederlandse taalgebied.