FAASSE
„Zeeuwse patroniem: 'zoon (of dochter) van Faas'”
Mijn achternaam Faasse betekent zoiets als 'kind van Faas' — en Faas komt van Bonifacius!
De betekenis van de achternaam FAASSE
Faasse betekent letterlijk 'van Faas', waarbij Faas een verkorting is van de doopnaam Bonifacius (of soms Sebastiaan). De achtervoegsel -se markeert bezit of afkomst, vergelijkbaar met -sen of -zoon elders in Nederland.
Het familiewapen van FAASSE
„Uit Faas gesproten, trouw gebleven”
De naam Faasse is een Zeeuws patroniem: het betekent letterlijk "zoon van Faas" of "behorend tot de familie van Faas", waarbij Faas een verkorte, volkse vorm is van de doopnaam Bonifacius. Deze naam Bonifacius — "hij die goed doet" — was in de middeleeuwen een geliefde vernoeming, en op de Zeeuwse eilanden Zuid-Beveland en Walcheren groeide de roepnaam Faas via het achtervoegsel "-se" uit tot een vaste familienaam, definitief bezegeld toen in 1811-1812 de burgerlijke stand werd ingevoerd. Al in de zeventiende eeuw duiken de eerste Faasses op in de doop- en trouwboeken van dit waterrijke land, een geslacht dat generatie na generatie verbonden bleef aan de grond tussen de getijden.
Het schild toont daarom een golvende deling van azuur en sinopel: het blauw verbeeldt de zee en de kreken die het Zeeuwse land altijd hebben omringd, het groen de vruchtbare polders die daaraan zijn ontworsteld — samen het landschap waarin de familie wortelde. Op de golvende lijn zelf rijst de halffiguur van Sint-Bonifatius op, in zilver, met een gouden staf en een geopend gouden boek: hij verwijst rechtstreeks naar de doopnaam Bonifacius waaruit "Faas" en daarmee "Faasse" is ontstaan, en zijn opkomende houding drukt uit hoe de naam letterlijk uit het water en het land omhoogkwam. De twee gouden zespuntige sterren in het schildhoofd staan voor de opeenvolgende generaties die, verspreid over de dorpen van Zuid-Beveland en Walcheren, de naam hebben gedragen en doorgegeven. De helmversiering herhaalt deze symbolen in kleiner bestek — een gouden ster tussen twee groene rietstengels — als teken dat wat in het schild wordt verteld, ook boven het schild standhoudt. De spreuk "Uit Faas gesproten, trouw gebleven" vat dit alles samen: een naam ontstaan uit één man, gegroeid tot een geslacht, en trouw gebleven aan zijn Zeeuwse bodem.
De geschiedenis van de naam FAASSE
De achternaam Faasse is een patroniem dat zijn oorsprong vindt in de Nederlandse provincie Zeeland. De naam is afgeleid van de voornaam "Faas", een verkorte en verbasterde vorm van de doopnaam Bonifacius of Bonifatius, die in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd veelvuldig voorkwam. Door toevoeging van het achtervoegsel "-se", dat in het Zeeuwse en West-Brabantse taalgebied gebruikelijk was om afstamming aan te duiden, ontstond de betekenis "zoon van Faas" of "behorend tot de familie van Faas". Dit soort patroniemen ontwikkelde zich vanaf de zestiende en zeventiende eeuw geleidelijk tot vaste familienamen, een proces dat definitief werd bezegeld tijdens de Napoleontische tijd, toen in 1811-1812 de verplichte burgerlijke stand werd ingevoerd en inwoners een vaste achternaam moesten kiezen of laten vastleggen.
Geografisch is de naam Faasse sterk verbonden met de Zeeuwse eilanden, met name Zuid-Beveland en Walcheren, waar de familie zich in de loop der eeuwen vertakte over verschillende dorpen en gemeenten. Historische doop-, trouw- en begraafboeken uit deze regio laten zien dat de naam al in de zeventiende eeuw voorkwam, wat wijst op een lange en continue aanwezigheid van het geslacht in dit gebied. Kenmerkend voor families met de naam Faasse is de tra