STRIJKER
„Strijker: de naam van de vechter of de speler”
Mijn achternaam Strijker betekent zoiets als 'vechter' of 'speler' — geen saai gladstrijken hier!
De betekenis van de achternaam STRIJKER
Strijker is afgeleid van het Nederlandse werkwoord 'strijken' of 'strijden', en verwees oorspronkelijk naar iemand die streed of vocht, of naar iemand die een strijkinstrument bespeelde (denk aan een vedelspeler). Het kan ook duiden op iemand die stof of laken 'streek' (gladstreek) als beroep, verwant aan textielbewerking.
Wilt u zien wat er in de registers staat? Het verdiepingsdossier STRIJKER bevat de akten, de tellingen en de originele registerbladen — met bij elke bewering de bron erbij. €47
Bekijk het dossier STRIJKER →Beroepsnaam van de strijker
Deze naam heeft meer dan één mogelijke herkomst. Hieronder staan ze allebei, met bij elke uitleg hoe zeker die is.
VastgesteldDe achternaam Strijker is een zogenoemde beroepsnaam, een van de grootste categorieën binnen de Nederlandse familienamen. Dit soort namen ontstond doordat mensen in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd binnen hun dorp of stad vaak werden aangeduid met hun beroep, om ze te onderscheiden van anderen met dezelfde voornaam. De naamvorm zelf is een agent-vorming op '-er' bij het werkwoord strijken, net zoals bakker bij bakken hoort of visser bij vissen. Wie 'de strijker' werd genoemd, was dus iemand die beroepsmatig streek, al kon dat woord destijds op meerdere heel verschillende handelingen slaan. Dat de naam zo transparant is opgebouwd, maakt hem taalkundig eenvoudig te doorgronden, maar juist daardoor ook lastig eenduidig aan één beroep te koppelen.
Zeer waarschijnlijkEen eerste en zeer aannemelijke verklaring ligt in de scheepvaart. Op zeilschepen moest voortdurend worden 'gestreken', dat wil zeggen: zeilen neergelaten of vlaggen neergehaald, bijvoorbeeld bij het binnenlopen van een haven, het passeren van een sluis of tolpost, of als eerbetoon aan een ander schip. Dit strijken van zeilen was een vak apart dat kracht, timing en ervaring vereiste, en op grotere schepen of in havensteden kon iemand hier specifiek mee belast zijn of erom bekendstaan. In een land dat leefde van handelsvaart, visserij en binnenscheepvaart ligt het voor de hand dat een dergelijke, dagelijks zichtbare bezigheid aanleiding gaf tot een bijnaam die later vererfde. De concentratie van de naam in Noord-Holland, Zuid-Holland en Friesland, gebieden met een lange maritieme traditie, ondersteunt deze lezing sterk.
Zeer waarschijnlijkEen tweede, eveneens goed onderbouwde verklaring komt uit de textielnijverheid. Strijken betekende in oudere taalfasen ook: stoffen glad maken, spannen of appreteren, een onmisbare stap in de laken- en lakenbereidingsindustrie die in steden als Leiden en Haarlem floreerde. Wie in een lakenhal of ververij het gladstrijken en opmaken van geweven stof verzorgde, kon evengoed als 'strijker' worden aangeduid. Deze textielambachten waren strak georganiseerd in gilden met eigen functietitels, en het is heel denkbaar dat de naam in sommige families rechtstreeks uit deze werkomgeving stamt in plaats van uit de scheepvaart. Voor een individuele familie Strijker is zonder verder archiefonderzoek naar de vroegste dragers meestal niet met zekerheid te zeggen welke van deze twee ambachtelijke werelden de bakermat vormde.
HypotheseEen derde, minder gangbare maar niet ondenkbare oorsprong ligt bij het muntwezen. In de muntslagerij werd metaal letterlijk gladgestreken en tot de juiste vorm gebracht voordat het werd geslagen tot munt, en in sommige regionale bronnen duidt 'strijker' op een handwerksman in dit proces. Dit beroep was echter veel zeldzamer en sterker gebonden aan specifieke muntsteden dan de scheepvaart of textielnijverheid, waardoor deze verklaring voor de meeste hedendaagse families Strijker minder waarschijnlijk is, maar in individuele gevallen zeker niet valt uit te sluiten. Dat er dus minstens drie ambachtelijke werelden zijn waarin het woord strijken een vakterm was, verklaart waarom deze naam geen eenduidige, algemeen geldende oorsprongsvertelling kent.
VastgesteldToen achternamen in de loop van de zestiende tot achttiende eeuw geleidelijk erfelijk werden, en definitief vastgelegd raakten na de invoering van de burgerlijke stand in 1811, werd de bijnaam van de stamvader of diens voorouders bevroren tot familienaam, ook als latere generaties een heel ander beroep uitoefenden. Dat verklaart waarom niet elke drager van de naam Strijker vandaag nog enige band heeft met scheepvaart of textiel: de naam is een taalkundig fossiel van het beroep van een verre voorouder, niet van de huidige beroepsuitoefening. Dit proces van naamverstarring is voor Nederlandse beroepsnamen in het algemeen goed gedocumenteerd en geldt ook hier.
VastgesteldDe spellingvarianten die in oude registers opduiken, zoals Strijcker en Strycker, weerspiegelen een tijd waarin klerken en predikanten namen grotendeels op het gehoor optekenden. De ij en de y werden door elkaar gebruikt, en de c voor de k was in het zeventiende-eeuwse Nederlands een gangbare schrijfwijze die pas later werd vervangen door de huidige k-spelling. Voor genealogisch onderzoek zijn deze varianten waardevol, omdat dezelfde familie in verschillende bronnen onder net iets andere schrijfwijzen kan opduiken, afhankelijk van de klerk, de regio en het tijdvak. Vooral de vorm Strycker is bekend geworden doordat zeventiende-eeuwse emigranten deze meenamen naar de Nederlandse koloniën in Noord-Amerika, waar de naam is blijven voortbestaan in aangepaste vorm.
Zeer waarschijnlijkWat de huidige verspreiding betreft, is de naam Strijker in Nederland relatief weinig voorkomend, wat er sterk op wijst dat vrijwel alle huidige dragers afstammen van een beperkt aantal afzonderlijke naamdragers die onafhankelijk van elkaar, op verschillende plaatsen en mogelijk in verschillende ambachten, deze bijnaam kregen. Anders dan bij zeer algemene namen als Bakker of Visser is hier dus niet automatisch sprake van tientallen onafhankelijke ontstaansmomenten door heel Nederland, maar eerder van een handvol families die zich vanuit hun kerngebied in de kustprovincies geleidelijk hebben verspreid. De negentiende- en twintigste-eeuwse emigratie naar de Verenigde Staten, Canada en Zuid-Afrika heeft deze beperkte kern van families vervolgens over de wereld verspreid, zonder dat daarmee de oorspronkelijke, waarschijnlijk Hollandse of Friese herkomst wordt tegengesproken.