PUTTER
„Putter: de man die touw en koord vlocht”
Mijn achternaam Putter komt van touwvlechten of een waterput — geen vogeltje in zicht!
De betekenis van de achternaam PUTTER
Putter is vermoedelijk een beroepsnaam voor iemand die touw, koord of snoeren vlocht ('putten' betekende touw draaien), of verwijst naar iemand die bij een put woonde of werkte. In sommige streken is het ook een variant van 'De Putter', de naam voor een putgraver of waterputbeheerder.
Het familiewapen van PUTTER
„Diep geworteld, hoog gezongen”
Doorsneden van azuur en sinopel; in het schildhoofd een distelvink van natuurlijke kleur, gezeten op een zilveren puthek van gehouwen steen, en in de voet drie golvende zilveren dwarsbalken.
De naam Putter ontstond in de late middeleeuwen in het Nederfrankische en Nederduitse taalgebied, in een tijd waarin mensen steeds vaker een tweede naam kregen om hen te onderscheiden binnen groeiende dorpen en steden. Voor sommige families verwees de naam naar een beroep: de putter was degene die putten groef, metselde en onderhield, een ambacht van onmisbaar praktisch belang, want zonder een goede put geen drinkwater, geen vee, geen bestaan. Voor andere families sloeg de naam op de distelvink, in het Nederlands ook wel "putter" genoemd, een sierlijke en gewilde zangvogel wiens naam mogelijk als bijnaam werd toegekend vanwege uiterlijk of gedrag. Deze dubbele oorsprong, ambacht én vogel, geeft de naam Putter een zeldzame rijkdom: hij spreekt zowel van de aarde als van de lucht, van het werk van de handen en van de lichtheid van de zang.
Het schild is doorsneden van azuur (blauw) en sinopel (groen), de kleuren van lucht en land, om deze twee lagen van de naam in één beeld te verenigen. In het schildhoofd staat de distelvink in natuurlijke kleuren, gezeten op een zilveren puthek van gehouwen steen: de vogel eert de bijnaam-oorsprong, terwijl het puthek, symbool van de waterputmaker, de beroepsnaam eert — samen tonen zij dat de vogel juist rust op het fundament van de put, alsof de lichtheid van de zang voortkomt uit het vaste werk van de put zelf. In de voet liggen drie golvende zilveren dwarsbalken, die het water verbeelden dat de put ontsluit: de bron van leven, telkens opnieuw geput door wie na hem komt. De wapenspreuk "Diep geworteld, hoog gezongen" vat deze eenheid samen: een familie die haar bestaan diep in de grond heeft gegraven, en daarvandaan haar stem naar boven laat klinken.
De geschiedenis van de naam PUTTER
De achternaam Putter heeft zijn wortels in het Nederlandse en Nederduitse taalgebied en kent meerdere mogelijke etymologische verklaringen. De meest gangbare afleiding komt van het Middelnederlandse woord "put", wat "waterput" of "kuil" betekent, waardoor Putter oorspronkelijk een beroepsnaam kan zijn geweest voor iemand die putten groef of onderhield, zoals een putgraver of waterputmaker. Een andere mogelijke oorsprong ligt in het woord "putter", dat in het Nederlands ook de naam is van de vogelsoort distelvink (Carduelis carduelis). In dit geval zou de naam een bijnaam kunnen zijn geweest, mogelijk toegekend vanwege een gelijkenis met de vogel qua uiterlijk, gedrag of om andere redenen die tegenwoordig niet meer te achterhalen zijn. Deze dubbele etymologische mogelijkheid maakt Putter een interessant voorbeeld van hoe middeleeuwse achternamen vaak meerdere lagen van betekenis konden hebben.
Geografisch gezien wordt de naam Putter voornamelijk aangetroffen in Nederland, België (met name Vlaanderen) en delen van Duitsland, gebieden waar het Nederfrankisch en Nederduits taalgebied elkaar overlapten. De naam ontstond waarschijnlijk in de late middeleeuwen, een periode waarin achternamen zich ontwikkelden vanuit persoonlijke kenmerken, beroepen of woonplaatsen om individuen beter te kunnen onderscheiden binnen groeiende gemeenschappen. Er bestaat ook een plaats genaamd Putten in de Nederlandse provincie Gelderland, en het is mogelijk dat sommige dragers van de naam Putter hun achternaam ontleenden aan herkomst