KICHELEER
„Vlaamse naam voor een pientere, spitsvondige man”
Mijn achternaam betekent zoiets als 'de gichelaar' - eeuwenoude Vlaamse humor in mijn genen!
De betekenis van de achternaam KICHELEER
Kicheleer stamt vermoedelijk af van het Middelnederlandse woord 'kichel' of 'kichelen', verwant aan gichelen (giechelen) of gicheren, en verwijst naar iemand die graag lachte of grapte - een spotter of grappenmaker. Het is een bijnaam die uiteindelijk als familienaam is blijven hangen.
Het familiewapen van KICHELEER
„Uit koren, brood”
Doorsneden van goud en rood; in het bovenste veld een zwarte broodschop schuinliggend, in het onderste veld drie gouden korenaren tot een bundel samengebonden.
De naam Kicheleer draagt de klank van het oude Vlaamse platteland en het ambacht met zich mee. Het achtervoegsel "-eer" duidt, zoals in tal van Nederlandse en Vlaamse familienamen, op een beroep of bezigheid van de eerste drager; de stam "Kichel" wordt in de streektaal in verband gebracht met een oud woord voor koek of brood, verwant aan het Duitse "Kichel" en aan lokale benamingen voor gebak. Zo wijst de naam vermoedelijk naar een bakker, een koekenbakker of iemand die in de wijde omtrek bekend stond om zijn gebak — een naam die geboren werd uit de geur van het dorpsoventje en die eeuw na eeuw is doorgegeven aan wie dat vakmanschap voortzette.
Het schild is doorsneden van goud en rood, twee warme, verzadigde kleuren die het vuur van de bakoven en de rijkdom van het gewonnen graan verbeelden. In het bovenste, gouden veld ligt een zwarte broodschop schuin: het werktuig van de bakker zelf, waarmee brood en koek uit de oven werden gehaald, en daarmee een rechtstreekse verwijzing naar het ambacht dat aan de naam Kicheleer ten grondslag ligt. In het onderste, rode veld staan drie gouden korenaren, tot een bundel samengebonden: het graan dat de grondstof vormt voor elk brood en elke koek, en dat zonder de bakker nooit tot voedsel zou worden. Boven het schild rijst uit de stalen toernooihelm een gouden korenschoof, gebonden met een rood lint — het beeld van de oogst die zich oprichtte tot het beroep dat de familie haar naam gaf. De spreuk "Uit koren, brood" vat de kern van dit alles samen: uit het ruwe graan van het land ontstaat, door vlijt en vakmanschap, het brood dat leven geeft — en uit dat werk ontstond, ooit, de naam die deze familie nog draagt.
De geschiedenis van de naam KICHELEER
De achternaam Kicheleer behoort tot een categorie van Vlaamse en Nederlandse familienamen die vermoedelijk zijn ontstaan uit een beroepsaanduiding of een plaatsnaam, hoewel gedetailleerde historische bronnen over deze specifieke naam beperkt zijn. Het achtervoegsel "-eer" komt veel voor in Nederlandse en Vlaamse achternamen en verwijst doorgaans naar een beroep, een activiteit of een kenmerk van de drager, zoals te zien is in namen als "bakkeleer" of "molenaar"-achtige constructies. De stam "Kichel" zou mogelijk verband houden met een streekgebonden woord, een verbastering van een oudere vorm, of een persoonlijke bijnaam die in de loop der eeuwen is vastgelegd als familienaam. Namen met deze klankstructuur wij