LUBKING
„Zoon van Lubbe: een Noord-Duitse/Friese naam met liefde erin”
Mijn achternaam Lubking betekent zoiets als "zoon van de dierbare" – eeuwenoud en verrassend liefdevol!
De betekenis van de achternaam LUBKING
Lubking is een patroniem dat "zoon (of nakomeling) van Lubbe/Lübbe" betekent. De stam "Lub-" gaat terug op oude Germaanse namen die met "liefde" of "dierbaar" te maken hebben (vergelijk "lief"), met het achtervoegsel "-ing" dat "afstammeling van" aanduidt.
Het familiewapen van LUBKING
„Uit één stam, vele zonen”
In sinopel een golvende schuinbalk van zilver, vergezeld boven van drie gouden zespuntige sterren naast elkaar en beneden van een gouden korenschoof, gedekt door een stalen toernooihelm met wrong en dekkleed van sinopel en goud, gehecht met een gouden zespuntige ster.
De naam Lubking is ontstaan in het Nedersaksische en Nederduitse grensgebied tussen Noordoost-Nederland en Noordwest-Duitsland, in streken als Oost-Friesland, Groningen, Drenthe en de Achterhoek. Zij is opgebouwd uit "Lub" of "Lubbe", een verkorting van oude Germaanse voornamen als Ludbert, Ludolf of Liudger — namen waarin het element "liud" ofwel "volk" doorklinkt — en het achtervoegsel "-ing", dat "zoon van" of "afstammeling van" betekende. Lubking betekende dus letterlijk "zoon van Lub", een naam die vanaf de late middeleeuwen ontstond toen de voornaam van de vader geleidelijk plaatsmaakte voor een erfelijke familienaam, vaak verbonden aan één en dezelfde boerderij of hoeve die generatie na generatie werd doorgegeven.
Het schild toont een golvende schuinbalk van zilver op een veld van sinopel (groen), die de grens en de streek van herkomst verbeeldt — het waterrijke land tussen Nederland en Duitsland waar de naam wortelde. Daarboven staan drie gouden zespuntige sterren naast elkaar: zij verbeelden de opeenvolgende geslachten die de naam van vader op zoon droegen, het "-ing" van afstamming zichtbaar gemaakt in metaal. Onder de balk rijst een gouden korenschoof op, teken van het erf en de akker die de familie eeuwenlang bewerkte en waaraan haar naam vaak letterlijk verbonden bleef. Op de helm herhaalt zich de ster als hoofdsieraad, een enkel licht dat de lijn van vader op zoon bekroont, terwijl de wrong en het dekkleed in sinopel en goud de kleuren van het schild trouw blijven. De zinspreuk "Uit één stam, vele zonen" vat de kern van de naam samen: uit één voorvader Lub ontsproten door de eeuwen heen talloze afstammelingen, verenigd door één erf en één naam.

De geschiedenis van de naam LUBKING
De achternaam Lubking vindt haar oorsprong in het Nedersaksische en Nederduitse taalgebied, met name in de grensstreek tussen Noordoost-Nederland en Noordwest-Duitsland, waaronder gebieden als Oost-Friesland, Groningen, Drenthe en de Achterhoek. Etymologisch is de naam opgebouwd uit twee delen: het element "Lub" of "Lubbe", een verkorte vorm van Germaanse voornamen zoals Ludbert, Ludolf of Liudger, waarin het oude Germaanse woordbestanddeel "liud" of "lud" ("volk" of "roemrijk") herkenbaar is, en het achtervoegsel "-ing", dat in de Nederduitse en Oudnederlandse naamgeving een patronymische functie had en zoveel betekende als "zoon van" of "afstammeling van". Lubking betekende dus oorspronkelijk letterlijk "zoon van Lubbe" of "afstammeling van Lub", en behoort daarmee tot een grote groep achternamen op "-ing" die in dit deel van Europa veel voorkwamen, zoals Harming, Jansing of Menning.
Historisch gezien ontstonden dergelijke patronymische achternamen vanaf de late middeleeuwen, toen erfelijke achternamen geleidelijk de vaste voornaam van de vader gingen vervangen als familienaam, vooral onder boeren- en burgergezinnen. In veel gevallen bleef de naam gebonden aan een specifieke boerderij of erf, waarbij niet alleen de familie maar ook het pachtland of de hoeve de naam droeg, een gebruik dat typisch was voor het Nedersaksische erfrecht. Door emigratie, v