BUITELAAR
„Buitelaar: de naam van de tuimelaar of duikelaar”
Mijn achternaam betekent zoiets als 'de tuimelaar' — blijkbaar zat er een acrobaat in de familie!
De betekenis van de achternaam BUITELAAR
Buitelaar komt vermoedelijk van het werkwoord 'buitelen' (tuimelen, duikelen) en verwees waarschijnlijk naar een acrobaat, een onstuimig of onhandig persoon, of iemand die letterlijk 'buiten' iets viel of stond. Het is een bijnaam-achtige achternaam die iets zegt over gedrag of een opvallende eigenschap van de eerste drager.
Het familiewapen van BUITELAAR
„Val, en herrijs”
Doorsneden van zilver en keel, over de deellijn een gouden tuimelende acrobaat, vergezeld van twee zilveren schelpen in het schildhoofd; helmteken een gouden tuimelaar op een wrong van zilver en keel, dekkleden keel gevoerd van zilver.
De naam Buitelaar is ontstaan uit het Nederlandse werkwoord "buitelen": tuimelen, rollen, over de kop gaan. Vermoedelijk diende de naam oorspronkelijk als bijnaam voor een kermisartiest of koorddanser die op jaarmarkten zijn kunsten vertoonde, of, minder vleiend, voor iemand die bekendstond om zijn onhandige val of eigenaardige manier van lopen. De achtervoegsel "-laar", zoals ook in Molenaar of Timmerlaar, wijst op een beroep of een blijvend persoonskenmerk — de naam werd zo een stempel dat generaties lang meeging. Sinds de zeventiende eeuw is de naam vooral in Zuid-Holland en Utrecht in de doop- en trouwboeken terug te vinden, wellicht rond de kermisplaatsen en marktsteden waar zulke acrobaten hun bestaan vonden.
Dit nieuw ontworpen wapen verbeeldt die geschiedenis met open trots in plaats van gêne. Het schild is doorsneden van zilver en keel — de kleuren van een kermistent of banier, fel en feestelijk — en over de deellijn tuimelt een gouden acrobaat, precies op het kantelpunt tussen vallen en overeind blijven: dit is de kern van de naam zelf, letterlijk verbeeld. Goud staat hier voor de waardigheid die in dat kunststuk schuilt — geen misstap, maar meesterschap. De twee zilveren schelpen in het schildhoofd verwijzen naar de reizende bestaanswijze van de vroege naamdragers, die als pelgrims van markt naar markt trokken om hun kunnen te tonen. Het helmteken herhaalt de tuimelende gouden figuur op de wrong van zilver en keel, alsof de acrobaat zich telkens weer opricht na de sprong — en de zinspreuk "Val, en herrijs" vat precies dat vermogen samen: niet de val bepaalt de mens, maar het overeind komen dat daarop volgt.
De geschiedenis van de naam BUITELAAR
De achternaam Buitelaar vindt zijn oorsprong in het Nederlandse werkwoord "buitelen", wat zoveel betekent als tuimelen, rollen of over de kop gaan. De naam werd oorspronkelijk waarschijnlijk gebruikt als bijnaam voor personen die bekendstonden om hun lichamelijke vaardigheden, zoals acrobaten, koorddansers of kermisartiesten die tuimelacts uitvoerden op jaarmarkten en kermissen. Een andere mogelijke verklaring is dat de naam ontstond als spotnaam voor iemand die vaak struikelde of viel, of die een onhandige manier van lopen had. De uitgang "-laar" is in het Nederlands een gebruikelijke achtervoegselvorm die een beroep, hoedanigheid of persoonskenmerk aanduidt, vergelijkbaar met namen als Timmerlaar of Molenaar, wat de theorie van een beroepsmatige of op gedrag gebaseerde oorsprong ondersteunt.
Geografisch gezien is Buitelaar een typisch Nederlandse achternaam, met een historische concentratie in de provincies Zuid-Holland en Utrecht, waar de naam al sinds de zeventiende en achttiende eeuw in doop-, trouw- en begraafregisters wordt aangetroffen. De