TEN PAS
„Genoemd naar een doorwaadbare plek in de rivier”
Mijn achternaam betekent zoiets als 'die bij de doorgang woont' — een oude wegwijzer in familievorm!
De betekenis van de achternaam TEN PAS
'Ten Pas' betekent letterlijk 'bij de doorgang' of 'bij het pad/voetpad' en verwijst naar een voorouder die woonde bij een 'pas': een doorwaadbare plaats, doorgang of smalle overtocht in het landschap, vaak bij een rivier of moerassig gebied.
Het familiewapen van TEN PAS
„Veilig over de pas”
Golfsgewijs doorsneden van azuur en sinopel, waarover een zilveren tweebogige loopplank (pas) over de golvende deellijn, vergezeld boven de brug van een gouden bezant.
De naam Ten Pas ontstond in de late middeleeuwen in de oostelijke en noordelijke streken van Nederland — Overijssel, Gelderland, Drenthe — waar het laagland doorsneden werd door beken en moerassen. Een "pas" was daar geen bergpad, maar een doorwaadbare plek: de plaats waar men droog, of tenminste veilig, kon oversteken van de ene kant van het land naar de andere. Wie bij zo'n overgang woonde, meestal op een boerderij die zelf "de Pas" heette, droeg voortaan die plek in zijn naam mee; het voorzetsel "ten" — van "te den", bij de — verankerde die plek voorgoed aan de familie. Zo werd een praktisch kenmerk van het landschap, de plek waar veilig oversteken kon, tot een naam die generaties lang is doorgegeven.
Het schild toont dit verhaal zonder omwegen. Het gedeelte van azuur en sinopel, golfsgewijs verdeeld, verbeeldt het moerassige laagland: azuur voor het water en de vochtige grond, sinopel voor het weiland en de begroeiing eromheen, met de golvende lijn als het beeld van de beek of het moeras zelf. Over die golvende lijn ligt de zilveren tweebogige loopplank — de pas — het concrete bouwwerk dat de doorgang mogelijk maakte en dat de familie letterlijk haar naam gaf; zilver staat hier voor zuiverheid en betrouwbaarheid, de plank die nooit faalde. De gouden bezant boven de brug is de baken, de vaste markering die de juiste plaats van oversteek aanwees zodat niemand verdwaalde in het moeras: goud voor waarde en voor het licht dat de weg wees. Boven het schild waakt op de helm een zilveren reiger, de vogel die van nature de veilige doorwaadbare plekken kent en er ongestoord op één poot staat — een beeld van de waakzaamheid en de vertrouwdheid met het land die de eerste dragers van deze naam moeten hebben gehad. De spreuk "Veilig over de pas" vat samen wat de naam altijd heeft betekend: niet de plek van gevaar, maar de plek van doorkomst, van generatie op generatie.
De geschiedenis van de naam TEN PAS
De achternaam "Ten Pas" is een typisch Nederlandse plaatsaanduidende naam, ontstaan uit het voorzetsel "ten" (afkomstig van "te den", wat "bij de" of "aan de" betekent) in combinatie met het woord "pas". Het woord "pas" verwees oorspronkelijk naar een doorgang, overgang of doorwaadbare plaats, vaak bij een water, moeras of laaggelegen terrein waar men kon oversteken. De naam duidde dus oorspronkelijk op iemand die woonde bij of nabij zo'n doorgang of overgangsplaats in het landschap. Dit type naamgeving was in de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd gebruikelijk in Nederland, waarbij families werden aangeduid naar kenmerkende plekken in hun directe woonomgeving, vooral in plattelandsgebieden waar boerderijen en huizen vaak naar natuurlijke of topografische kenmerken werden benoemd.
Geografisch wordt de naam "Ten Pas" voornamelijk geassocieerd met de oostelijke en noordelijke provincies van Nederland, met name Overijssel, Gelderland en Drenthe, waar de "ten"-constructie in achternamen veel voorkomt en waar het landschap van nature rijk was aan moerassen, beken en lage doorgangen die als "pas" werden aangeduid. Historisch gezien komen dergelijke namen vaak voort uit de erfnamen van boerderijen: wie op een boerderij woonde die bekend stond als "de Pas", nam vaak de naam van die hoeve over als familienaam, een gebruik dat kenmerkend was voor het Nederlandse platteland. Tegenwoordig is "Ten Pas" een relatief zeldzame achternaam die vooral voorkomt in families met wortels in de genoemde regio's, en het draagt nog steeds de sporen van de agrarische en topografische oorsprong van veel Nederlandse achternamen, wat het een interessant voorbeeld maakt van hoe landschap en bewoning de basis vormden voor familienamen.