REIMERINK
„Twentse boerderijnaam: 'bij de familie van Reimer'”
Mijn achternaam komt van een oude Twentse boerderij, genoemd naar ene Reimer!
De betekenis van de achternaam REIMERINK
Reimerink is een patroniem-achtige erfnaam uit Oost-Nederland, gevormd met de achtervoegsels '-ink' (afstamming, 'behorend tot') op de voornaam Reimer, een variant van Reinmar/Reimar ('raad' + 'roemrucht'). De naam duidt dus op 'de mensen/erve van Reimer'. Vaak was dit oorspronkelijk de naam van een boerderij (erve) die vernoemd was naar de stichter of eigenaar Reimer, en werd de erfnaam later door de bewonersfamilie overgenomen.</meaning> <parameter name="origin_type">patroniem / boerderijnaam (huisnaam)
Het familiewapen van REIMERINK
„Raad, bescherming, erf”
Doorsneden van zilver en groen; in het schildhoofd een geharnast arm houdende een opgeheven zwaard tussen twee eikenbladeren, alles van rood en goud op zilver; in de voet een gouden erfgevel op een golvende zilveren lijn op groen.
De naam Reimerink is ontstaan in de Nedersaksische streken van Twente en de Achterhoek, waar zij letterlijk "nakomeling van Reimer" of "toebehorend aan het erf van Reimer" betekende. Reimer is een verbastering van de Germaanse voornaam Raimund, opgebouwd uit "ragin" (raad) en "mund" (beschermer), en het achtervoegsel "-ink" verwees niet zozeer naar bloedverwantschap als naar de band met een specifiek boerenerf. Wie op dat erf ging wonen, droeg de naam voort — een traditie die pas in de negentiende eeuw, onder Napoleontisch bestuur, werd vastgelegd als officiële familienaam, en die getuigt van een cultuur waarin het erf zelf belangrijker was dan de persoon die het bewoonde.
Het schild is doorsneden van zilver en groen, en verbeeldt zo de twee lagen van de naam: boven de persoonlijke oorsprong, onder de plaats waaraan zij gebonden werd. In het schildhoofd houdt een geharnast arm een opgeheven zwaard tussen twee eikenbladeren: het zwaard staat voor "mund", de beschermer, en de eikenbladeren voor "ragin", de raad — wijsheid en kracht die de oorspronkelijke naamdrager Reimer zijn naam gaven. In de voet staat een gouden erfgevel op groen, rustend op een golvende zilveren lijn die de erfgrens verbeeldt: dit is het erf zelf, de grond waaraan de familienaam voor altijd verbonden werd. Het crest herneemt dit thema met een eikenboompje dat uit een aarden heuveltje groeit — de jonge tak die uit de wortels van het erf voortkomt — en de wapenspreuk "Raad, bescherming, erf" vat de drie kernbetekenissen van de naam samen: de wijsheid, de bescherming en de grond die generaties lang met elkaar verbonden bleven.

De geschiedenis van de naam REIMERINK
De achternaam Reimerink vindt zijn oorsprong in het oosten van Nederland, met name in de streken Twente en de Achterhoek, alsook in het aangrenzende Duitse Nedersaksische grensgebied. De naam is opgebouwd uit twee elementen: het voornaamsbestanddeel "Reimer", een verbastering van de Germaanse voornaam Reimund of Raimund (samengesteld uit "ragin", betekenis "raad", en "mund", betekenis "beschermer"), en het achtervoegsel "-ink" (ook wel geschreven als "-inck" of "-ing"). Dit achtervoegsel is typisch voor de Nedersaksische streken en duidde oorspronkelijk op afstamming of op verbondenheid met een bepaalde boerderij of erf. Reimerink betekende dus letterlijk zoiets als "nakomeling van Reimer" of "toebehorend aan het erf van Reimer", wat wijst op een patroniem dat later ook als familienaam werd vastgelegd.
Historisch gezien waren dit soort erfgebonden namen in het oosten van Nederland en Nedersaksen zeer gangbaar, omdat de naam van de boerderij of het erf vaak belangrijker was dan de persoonlijke familienaam; wie op een bepaald erf ging wonen, nam soms de erfnaam over, onafhankelijk van bloedverwantschap. Toen in de negentiende eeuw, onder Napoleontisch bestuur, de invoering van de burgerlijke stand en verplichte achternamen plaatsvond, werden dergelijke erf- en patronymische namen definitief vastgelegd als officiële familienamen. Reimerink is daardoor tegenwoordig een relatief zeldzame, streekgebonden naam die sterk geconcentreerd is in Overijssel en Gelderland, met verspreide voorkomens net over de grens in Duitsland. De naam getuigt van de agrarische traditie en de erfopvolgingscultuur van de Nedersaksische boerengemeenschappen, waarin de band tussen mens, familie en boerderij een centrale rol speelde.