PELS
„Pels: een naam die naar bont en huid verwijst”
Mijn achternaam Pels verwijst waarschijnlijk naar een voorouder die bont bewerkte!
De betekenis van de achternaam PELS
Pels is vermoedelijk een beroepsnaam voor iemand die met huiden en bont werkte, zoals een pelsbereider, bontwerker of huidenhandelaar. Het woord 'pels' betekent in het Middelnederlands en Duits letterlijk 'huid' of 'bontkleed'.
Wilt u zien wat er in de registers staat? Het verdiepingsdossier PELS bevat de akten, de tellingen en de originele registerbladen — met bij elke bewering de bron erbij. €47
Bekijk het dossier PELS →Van bont en bontwerkers
Deze naam heeft meer dan één mogelijke herkomst. Hieronder staan ze allebei, met bij elke uitleg hoe zeker die is.
VastgesteldDe achternaam Pels gaat terug op het Middelnederlandse en Middelhoogduitse woord 'pels', dat 'pelswerk' of 'bontkleding' betekende. Dit woord stamt op zijn beurt af van het Latijnse 'pellis', dat 'huid' of 'vel' betekent, via het Oudfranse 'pel' of 'pelice'. Het woord verwees niet naar het levende dier, maar naar het bewerkte, gelooide bont dat als kledingstuk of voering diende. Deze etymologische lijn is taalkundig goed gedocumenteerd en staat buiten kijf: het is de vaste basis waarop alle verdere verklaringen van de naam voortbouwen.
Zeer waarschijnlijkDe meest gangbare verklaring is dat Pels ontstond als beroepsnaam. In de late middeleeuwen was de bontbewerking een zelfstandig en aanzien genietend ambacht, uitgeoefend door pelsbereiders die dierenhuiden looiden, ontvetten en geschikt maakten voor verwerking, en door bontwerkers die er mantels, kragen, voeringen en mutsen van naaiden. Wie zo'n ambacht uitoefende, kreeg in een tijd waarin achternamen nog niet vastlagen al snel de bijnaam 'de Pels' of gewoon 'Pels', die vervolgens van vader op zoon overging en zo een familienaam werd. Deze verklaring wordt door meerdere onafhankelijke bronnen uit stadsarchieven ondersteund en geldt als de meest waarschijnlijke oorsprong voor het merendeel van de huidige dragers.
Zeer waarschijnlijkEen tweede, eveneens plausibele verklaring is dat de naam ontstond als bijnaam voor een handelaar in bont en huiden, in plaats van voor de ambachtsman die het bont bewerkte. De pelshandel was in de middeleeuwen een winstgevende tak van internationale handel, met aanvoerroutes uit Scandinavië, het Baltische gebied en Rusland, waar dieren als marter, vos, eekhoorn en hermelijn werden bejaagd. Kooplieden die deze kostbare waar naar de steden van Noordwest-Europa brachten en er hun fortuin mee maakten, konden evengoed de naam Pels toebedeeld krijgen. Beide verklaringen, ambachtsman en handelaar, liggen zo dicht bij elkaar dat ze elkaar niet uitsluiten en in de praktijk vaak door elkaar liepen binnen één familie.
HypotheseDaarnaast bestaat de mogelijkheid dat de naam als bijnaam is ontstaan voor iemand die zelf opvallende bontkleding droeg, zonder dat die persoon per se in de bonthandel werkzaam was. Bont was in de middeleeuwen een statussymbool, voorbehouden aan gegoede burgers, kooplieden en geestelijken, en soms zelfs wettelijk gereguleerd via kledingvoorschriften die aangaven wie welk bont mocht dragen. Iemand die in het dorp of de stad opviel door zijn met bont afgezette mantel kon zo de spotnaam of eretitel Pels krijgen, die later verstarde tot familienaam. Deze verklaring is minder goed te bewijzen dan de beroepsnaamtheorie, omdat bijnamen zelden schriftelijk zijn vastgelegd met de reden van toekenning erbij, maar ze is taalkundig en cultuurhistorisch alleszins aannemelijk.
Zeer waarschijnlijkDe verspreiding van de naam in stadsarchieven vanaf de late middeleeuwen wijst op een sterke binding met stedelijke handelscentra. In de Nederlanden vestigden bontwerkers en bonthandelaars zich vooral in steden met een levendige internationale handel, waaronder Amsterdam, waar de aanvoer van pelzen via de Oostzeehandel en later de Noord-Amerikaanse pelshandel een substantiële bedrijfstak in stand hield. Ook in Duitse Hanzesteden komt de naam Pels en verwante vormen vroeg voor, wat past bij het beeld van een ambachts- en handelsnaam die meelifte met de bloei van de Hanze en de stedelijke gilden. Dat de naam zich vanuit deze centra verspreidde naar omliggende regio's, is aannemelijk maar in detail lastig te reconstrueren.
Zeer waarschijnlijkWat spelling betreft is Pels door de eeuwen heen opvallend stabiel gebleven, zeker vergeleken met veel andere middeleeuwse beroepsnamen die tientallen schrijfwijzen kennen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de korte, eenlettergrepige vorm van het woord, die weinig ruimte liet voor klankverschuivingen of verschrijvingen door schrijvers en klerken. Wel ontstonden er afgeleide vormen: 'Pelser' benadrukt nadrukkelijker de persoon die het beroep uitoefent, met de agentachtervoegsel -er, terwijl 'Pelt' mogelijk een klankvariant is, al wordt Pelt door sommige naamkundigen ook los gezien als plaatsnaam-afkomstige naam. Deze nuance maakt dat Pelt niet zonder meer als dezelfde naam mag worden beschouwd, ook al wordt hij vaak in één adem met Pels genoemd.
HypotheseTegenwoordig komt de naam Pels relatief weinig voor, wat past bij een beroepsnaam die aan een specifiek en niet overal even wijdverbreid ambacht was verbonden. In tegenstelling tot achternamen afgeleid van veelvoorkomende beroepen zoals bakker of smid, was de bontbewerking een nichebedrijf dat zich concentreerde in specifieke steden met de juiste handelscontacten. Dit verklaart waarom de naam vermoedelijk teruggaat op een beperkt aantal afzonderlijke families die onafhankelijk van elkaar, op verschillende plekken in het Nederlands-Duitse taalgebied, dezelfde beroeps- of bijnaam kregen toebedeeld. Elke hedendaagse Pels-familie draagt zo een klein stukje mee van de geschiedenis van bont als handelswaar en statussymbool in Noordwest-Europa.